Op eieren lopen


De huiskamer van het weeshuis zit vol kinderen. Ze zijn er allemaal, vijfentachtig jongens en meisjes. De grote kinderen zitten achterin, de kleintjes gehurkt op de grond vooraan. Het wordt een spannende zaterdagavond. Uit vijf briefjes zal een spel gekozen worden. Midden op tafel staat een grote bus met een stevig deksel. Berta en Alfrida, de leidsters, lichten de deksel op en trekken er een briefje uit. Fredi, op de laatste rij, hoopt dat zijn briefje wordt getrokken. Hij weet zeker dat niemand zijn spel kent.

Fredi is bijna 18 jaar en woont al negen jaar in het weeshuis. Niet lang meer en dan zal hij het weeshuis moeten verlaten; plaats maken voor een kleiner ventje dat het harder nodig heeft. Vanavond wil hij iets bijzonders doen. Hij weet dat het gevaarlijk is, want hij heeft zijn tante beloofd nooit over zijn geheim te praten. Toch wil hij vanavond deze belofte verbreken. Hij wil het verhaal van zijn leven vertellen. Zijn tante heeft hem verboden dit te vertellen, omdat niemand te vertrouwen is. Maar hij vindt dat de kinderen van het weeshuis zijn verhaal moeten kennen. Ze zijn al jaren zijn zusjes en broertjes. Lang heeft hij nagedacht hoe hij het moest aanpakken. Totdat Berta met het idee kwam om een bus te maken met briefjes.

Dan hoort hij Berta’s stem: ‘Een briefje van Fredi.’Hij ziet de blikken van de kinderen zijn kant op gaan. Berta leest het briefje voor.
‘Ik heb een verhaal geschreven over mijn leven en wil dat graag aan al mijn broertjes en zusjes vertellen.’ Het is doodstil in de zaal. Niemand begrijpt goed wat Fredi wil en bedoelt. ‘Een verhaal is toch geen spel’, roept een meisje.
‘Verhalen vertellen, mag ook’, helpt Berta hem.
‘Wil je echt je verhaal vertellen? Loop je dan niet te veel op eieren?’, vraagt Alfrida bezorgd. Fredi schudt zijn hoofd. Hij wil zijn verhaal vertellen.
‘Kom dan maar.’
Hij haast zich naar voren, want hij wil het graag uitleggen. Het is nog steeds heel stil. Ook de kleine kinderen kijken met open mond naar hun grote broer. Ze voelen dat er iets gebeurt wat bijzonder is.
‘Ik heb nooit aan iemand verteld hoe ik in het weeshuis ben gekomen. Ik mag het niet vertellen en toch doe ik het. Jullie zijn mijn zusjes en broertjes en voordat ik wegga wil ik dat jullie mijn verhaal kennen.’ Berta krijgt een brok in haar keel en Frida vraagt opnieuw of hij niet op eieren loopt. ‘Het is geen leuk verhaal en jullie zullen veel herkennen.’

Dan begint hij te vertellen.
‘Ik was zes jaar toen mijn moeder met mij en mijn kleine zusje op de boot stapten naar Maleisië. Mijn vader was een jaar daarvoor zomaar verdwenen. Onderweg kwam de boot in noodweer terecht. Ik was misselijk en we gingen boven op het dek staan. Mijn moeder gleed uit en sloeg over boord. Ze verdronk voor onze ogen. Mijn kleine zusje werd door een onbekende man meegenomen en ikzelf verschanste me in de kombuis, een soort stookhut. Een aardige kokkie ontfermde zich over me en bracht me terug naar Makassar. Daar werd ik bij een pastor gebracht, die me naar het weeshuis in Rantepao bracht.’
Het is heel stil.
‘Mijn zusje heb ik nooit meer gezien. Ik heb alleen jullie en een tante die ik nooit zie. Ik vertel het verhaal, zodat ik altijd bij jullie blijf.’
Dan frummelt Fredi in zijn broekzak en trekt er een vodje uit. ‘Een zakdoek van mijn moeder.  Ze gaf me de zakdoek toen ik zeeziek was. Vijf minuten later gleed ze uit en verdronk.’
Er staan dikke tranen in zijn ogen. ‘In het weeshuis is het leven goed. Ik ga iets moois van mijn leven maken’, zegt hij stoer.
‘Je liep niet op eieren’, fluistert Berta in zijn oor. ‘We zijn allemaal trots op je, Fredi’, zegt Frida.

Na een ademloze stilte beginnen 85 paar handen spontaan te klappen. Fredi loopt naar zijn stoel terug. Hij is blij dat hij zijn verhaal heeft verteld.

913 total views, 3 views today