Katharina


OLYMPUS DIGITAL CAMERA

We worden uitgenodigd in de kampong van Pak Andreas en zijn vrouw ibu Katharina.
Pak Andreas is de nieuwe directeur van een technische school in Bawaja op Flores. Hij vervangt de oude directeur die in de gevangenis zit. De man werd opgepakt wegens het verduisteren van geld en het zwanger maken van een jong meisje.
De kampong van Pak Andreas ligt een uur rijden de binnenlanden in. We zitten achterop zijn brommer en rijden langs diepe ravijnen en hoge bergen. De natuur is overweldigend en de armoede schrijnend. We stoppen halverwege onze tocht in de kampong waar hij geboren is. Bamboehutjes, gebouwd rond een groot cirkelvormig zanderig erf, staan er verloren en armoedig bij. Bij feesten en begrafenissen komen de kampongbewoners op het erf bij elkaar om te zingen, te dansen en te eten.
Als we wat rondstappen in de desa loopt er een schare kinderen achter ons aan. Ze zijn vuil en zien er ondervoed uit. Hun pluizige haar zit vol luizen. Pak Andreas vertelt dat de
mensen in de binnenlanden van Flores arm zijn, maar geen honger lijden. Vrijwel niemand in Indonesië lijdt trouwens echt honger. Het land is vruchtbaar en het hoofdvoedsel in de binnenlanden is jagung en cassave. Ook pisangs, papaya’s en kelapa zijn er in overvloed De meeste gezinnen eten twee keer per dag. De zwakkeren worden niet oud. De kleine grafstenen op het erf van de woningen vertellen dat veel kinderen de kleuterleeftijd
niet bereiken. Dit is vooral het gevolg van de slechte gezondheidszorg.

We rijden verder en zien op een heuvel een gigantisch bouwwerk staan. Als we stoppen blijkt het een kerkgebouw te zijn. We lopen een oude Indonesische pastor tegen
het lijf. Hij neemt ons mee de kerk in. Onze mond valt letterlijk open; witte muren met een schoonheid aan heilige schilderijen, een prachtige houten dakconstructie, glas-in-loodramen en houten banken waar meer dan duizend bezoekers op kunnen zitten. De afgesleten drempels en banken in de kerk vertellen ons dat vele zielen de heilige
mis hebben gevolgd en het sacrament hebben ontvangen.
De kerk is voor de oorlog gebouwd. Voor de ingang ligt een groot marmeren graf met daarop een levensgrote foto van pater Adriaan Mommersteeg. Een Nederlandse
pater die zijn leven in dienst heeft gesteld van de kerk en de bevolking. De bewoners wilden hem dicht bij zich houden en hebben een praalgraf gemaakt.
‘Hij was als een vader voor ons,’ legt de pastor uit. Zittend op een bank achter in het kolossale gebouw besef ik wat voor een geschiedenis deze kerk met zich mee torst. Uit alles blijkt dat het kerkgeloof hier nog springlevend is.
‘s Zondags zijn er drie diensten. De mensen lopen soms uren om hier te komen. Voor velen is binnen geen plaats en zij gaan dan genoeglijk buiten in het gras zitten.’
Hij neemt ons mee naar zijn schamele onderkomen, dicht bij de kerk. Op de grond ligt één matras voor de hele familie. Op de keukenvloer staat een rijstkoker en aan de muur hangt een foto van de breed lachende president Susilo Bambang Yudhoyono met daaronder een kalender.

Na een uitgebreide ceremonie nemen we afscheid en rijden naar het huis van Pak Andreas. Het staat midden in een verlaten veld. In zijn uitgedroogde tuin lopen drie varkentjes en scharrelen een paar magere kippen. Hij stelt zijn vrouw, ibu Katharina, aan ons voor. Hij is twintig jaar met haar getrouwd. Ze gaat in kleermakerszit op de grond zitten en nodigt me uit naast haar te komen zitten.
Ze is direct, humoristisch en assertief en zegt moeite te hebben met het slechte Indonesische onderwijssysteem. Zelf is ze lerares Indonesisch. Het huishouden doet ze samen met haar man, geholpen door drie aangenomen neefjes en twee nichtjes. De vijf kinderen krijgen gratis kost en inwoning, zodat ze naar school kunnen. Zelf heeft ze drie
kinderen waarvan er twee jong zijn overleden. Hun enige zoon studeert op Java voor verpleger.
Binnen een paar minuten legt ze haar hand vertrouwelijk op mijn arm. We komen aan de praat in de keuken. Ik kijk rond en verbaas mij over haar lege keuken; geen kasten, geen aanrecht, geen ijskast en geen gasstel. Ze vertelt nooit naar een winkel te gaan. Rijst, groenten en fruit oogsten ze zelf en zeep, zout, suiker en olie kopen ze af en toe op de
markt.
‘Wat hebben we verder nog nodig? Af en toe slachten we een kip en een keer per jaar een varken. We komen niets tekort en we zijn gelukkig.’
Ik lach en denk: Wat heerlijk om zo eenvoudig te leven.

(Verhaal uit Flores)

1,021 total views, 2 views today