Claudia

In de kleine kampong Solo op het eiland Flores woont Claudia. Ze is twaalf jaar en zit in de eerste klas van de smp. Ik ontmoet haar op het erf van een meisjesinternaat.
Het is een opmerkelijk meisje. Ze loopt op me af, pakt mijn hand, geeft er een kus op en legt mijn hand tegen haar voorhoofd. Ze doet het met een gebaar van diepe ernst.
‘Dank u wel voor de nieuwe bibliotheek. Wij lezen de
boeken kapot,’ zegt ze.

Haar poëtische blik en serene gebaar treffen me. Ze is lang, slank en heeft een flinke bos haar. Ze neemt me mee naar de slaapzaal van het internaat. Ze is één van de honderd
meisjes die in het internaat woont om de smp te kunnen volgen. De meisjes komen uit de dorpen in de bergen en hun ouders zijn overwegend arme boeren. Eén keer per
jaar in de kerstvakantie gaan de meisjes twee weken terug naar de kampong van hun ouders.
Claudia toont ons haar slaapplek. Een houten bed met een tikar die dienst doet als matras. De vijftig stapelbedden staan tegen elkaar gedrukt, zonder looppad. Claudia moet over twintig bedden kruipen om bij haar bed in de hoek te kunnen komen. De eetzaal, een open bamboegebouw, ziet er smaakvol uit. De kinderen eten in kleermakerszit op de grond.
Met haar twaalf jaar is Claudia opvallend intelligent.

Ze spreekt perfect Indonesisch en weet precies wat ze met haar leven wil. Als ik haar vraag of ze een droom heeft,
zegt ze hartgrondig ‘ja’.
‘Ik wil rechter worden en de corruptie in mijn land aanpakken. Ik wil opkomen voor de armen.’
Ik had verwacht dat ze iets anders zou zeggen. Iets in de trant van een beter huis en meer luxe. Ze loopt weg en komt met een schrift in haar hand terug.
‘Ik schrijf verhaaltjes,’ zegt ze met een verlegen stem.
Ze wijst naar vijf verhaaltjes achterin haar schrift. Met aandacht lees ik ze en besef dat in deze verhaaltjes haar eigen leven is verwerkt. Ze gaan over een arm meisje, dat
pienter is en iets voor haar land en kampong wil doen. Over de geringe kans die kinderen van arme ouders hebben om door te studeren.

‘Het is onrechtvaardig dat een meisje met potentie geen kans krijgt, terwijl een rijke zwabber niets met zijn potentie doet,’ schrijft ze in één van de verhaaltjes.
Alle vijf verhaaltjes vertellen dat als je iets wilt en ook doorzet, het bereikbaar is.
‘Mijn ouders zijn niet in staat mij door te laten leren. Maar als ik de beste ben op school, moeten ze mij helpen om het hoogste te bereiken.’
Ze gelooft erin.

In het laatste verhaal schrijft ze over een arm meisje met de naam Dina. Tien jaar vecht Dina om arts te kunnen worden. Ze wordt uitgelachen om haar armoede. Ze wordt aan de kant gezet vanwege haar lage stand. Niemand van haar leeftijdsgenoten op de universiteit wil met Dina omgaan. Erger nog, ze schamen zich voor haar.
Toch zet Dina door. Ze is een briljante studente. Ze haalt haar artsenbul en gaat terug naar de kampong. Vanaf dat moment leren kampongbewoners anders met hun lijf, hun
leven en ziekten om te gaan. Dina is een vrouw waar ze altijd op kunnen rekenen. De kindersterfte daalt, de mensen zijn minder ziek en de hygiëne wordt beter.

‘Is dit je droom?’ vraag ik haar en wijs naar haar verhaal achterin het schriftje. Ze knikt.
‘Ik wil net als Dina worden. Ze is mijn heldin. De arme mensen moeten het beter krijgen.’
Dit zegt een meisje van 12 jaar.
Ik besluit haar de komende jaren te volgen.

(Verhaal uit Flores)

1,089 total views, 2 views today